ANNEMARIE VAN STEE

ANNEMARIE VAN STEE

Annemarie van Stee behaalde haar bachelor aan University College Utrecht en masters in de cognitieve neurowetenschappen en de filosofie aan de Radboud Universiteit (alle drie cum laude). In juni 2017 promoveerde ze aan de Universiteit van Leiden op de bijdragen van de neurowetenschappen en filosofie aan zelfinzicht. Tegenwoordig werkt ze als onderzoeker in de filosofie aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Ze schrijft en spreekt ook geregeld voor een breed publiek.

WAT NEUROWETENSCHAP EN FILOSOFIE ELKAAR TE BIEDEN HEBBEN

In het publieke debat worden neurowetenschap en filosofie vaak tegenover elkaar geplaatst. Daarin zijn extreme standpunten en beelden niet van de lucht. Volgens sommigen onttovert de neurowetenschap ons mensbeeld voorgoed. Anderen blijven vasthouden aan het beeld van de filosofie als koningin der wetenschappen. Hoog tijd om orde op zaken te stellen, vond Annemarie van Stee, die een proefschrift schreef over de raakvlakken en scheidslijnen tussen beide disciplines. Ze focuste daarbij op zelfinzicht in zaken van ultiem belang, zoals de liefde en ervaringen van zin en zinloosheid.

Als het om de vrije wil gaat, is er al ontzettend veel geschreven over het snijvlak van neurowetenschap en filosofie. Maar er is nog veel meer neurowetenschappelijk onderzoek dat onze ideeën over onszelf potentieel overhoop kan gooien. Als neurowetenschappers zich met het geheugen bezighouden, geloven we het wel. Dat is heel anders als ze onderzoek doen naar existentiële thema’s zoals liefde of religie. Als neurowetenschappers dat gaan bestuderen, wekt dat sterke reacties op, variërend van grote interesse of applaus bij sommigen, tot huiver of ongeloof bij anderen.

In het debat hierover wordt de neurowetenschap dan vaak tegenover de filosofie geplaatst. De beoordeling van de filosofie varieert hierbij van ‘de koningin der wetenschappen’ tot ‘de gedateerde voorloper van de empirische wetenschap’. Tegelijkertijd hanteert men vaak een behoorlijk oppervlakkig begrip van neurowetenschap. Ten slotte wordt ook nauwelijks aandacht besteed aan de vraag wat we onder zelfinzicht verstaan: waar zijn we precies naar op zoek als we naar zelfkennis streven? Kortom, ik vond het hoog tijd worden voor een filosofisch proefschrift over existentieel zelfbegrip dat die genoemde lacunes bestudeert.

Kierkegaard

Om met die laatste lacune te beginnen: om tot een heldere omschrijving van existentieel zelfinzicht te komen, bestudeerde ik het werk van filosofen zoals de Amerikaanse filosofen Harry Frankfurt (1929) en Susan Wolf (1952) en de Deen Søren Kierkegaard (1813-1855), een van de grondleggers van het existentialisme. Frankfurt is waarschijnlijk de belangrijkste hedendaagse denker die nadenkt over liefde en hoe die ons vormt. Wolf beschrijft duidelijk hoe het streven naar zin mensen aanzet tot keuzes en hoe dat weer samenhangt met liefde. En Kierkegaards gedachtengoed vind ik nog steeds inspirerend, omdat hij helder de – vaak problematische – manieren doordacht heeft waarop mensen zich tot zichzelf verhouden.

“Ik maak me weleens zorgen over de invloed van de popularisering van hersenonderzoek op beleid, onderwijs en zorg.”

Mensen die existentieel zelfinzicht nastreven, zijn op zoek naar wat van doorslaggevend belang is in hun leven. Denk daarbij aan de liefde, zowel aan romantische als niet-romantische varianten, en ervaringen van zin en zinloosheid. Wat hebben we op dat vlak zelf in de hand en wat niet? En hoe moeten we ons hiertoe verhouden? Het beeld dat mensen van zichzelf vormen is geen neutrale afspiegeling van wie ze zijn; het bepaalt mede hoe ze zich gedragen en welke keuzes ze maken.

Romantische liefde

De neurowetenschap levert kennis over de hersenactiviteit die ons in staat stelt om liefde, zin of zinloosheid te ervaren. Hopelijk zal ze in de toekomst ook laten zien welke hersenmechanismen betrokken zijn bij problemen die we ondervinden als de hersenen niet goed functioneren. Wat de neurowetenschap niet kan, is inzicht geven in de ervaringen zelf. Daarvoor hebben we de filosofie en andere geesteswetenschappen nodig.

Neem bijvoorbeeld hersenonderzoek naar romantische liefde uit het lab van Arthur Aron in de VS. Tijdens dat onderzoek werd de hersenactiviteit van de proefpersonen gemeten, terwijl zij naar foto’s van hun geliefde keken. Dat zegt in zichzelf niets over de liefde, maar alleen over neurale netwerken die betrokken zijn bij wat mensen ervaren als ze een foto van hun geliefde bekijken.

Verder werden de deelnemers aan dit onderzoek geworven met de vraag: ‘Ben jij hoteldebotel tot over je oren verliefd?’ Daarmee vernauwden die hersenonderzoekers de romantische liefde tot heftige verliefdheid. Dit voorbeeldje laat zien dat belangrijke momenten in een onderzoek op interpretatie berusten. Die interpretatie is onvermijdelijk, maar het is wel belangrijk dat neurowetenschappers zich hiervan bewust zijn. Pas als je precies weet wat je onderzoekt, kun je diverse studies naar romantische liefde met elkaar vergelijken.

Ik maak me weleens zorgen over de invloed van de popularisering van hersenonderzoek op beleid, onderwijs en zorg. Hoewel de meeste neurowetenschappers zich tamelijk bescheiden opstellen, zijn er een paar die met hun extreme visies ongekend veel invloed hebben gehad op de beeldvorming van hun vakgebied. Doordat zij in hun publieksboeken selectief geïnterpreteerde onderzoeksgegevens aanhalen, krijgen hun ideeën als ‘De vrije wil bestaat niet’ of ‘Wij zijn ons brein’ een ongekende retorische kracht. Ze schetsen een beeld van hun vakgebied als een onttoverende wetenschap, die de filosofie en de psychologie overbodig maken. Met mijn promotieonderzoek heb ik juist willen laten zien waarom die vakgebieden elkaar nodig hebben en op welke punten ze elkaar kunnen versterken. Neurowetenschappers, filosofen en psychologen zijn alleen maar gebaat bij samenwerking.

Annemarie van Stee, Understanding Existential Self-Understanding: Philosophy Meets Cognitive Neuroscience, Leiden, juni 2017.