DICK TIMMER (1993)

DICK TIMMER (1993)

Dick Timmer studeerde filosofie, theologie en religiewetenschap aan de Universiteit Utrecht, Vrije Universiteit Amsterdam en de Protestantse Theologische Universiteit. In 2017 slaagde hij cum laude voor zijn onderzoeksmaster in de filosofie aan de Universiteit Utrecht. Na zijn afstuderen begon hij daar aan zijn PhD-onderzoek en ging er ook filosofie doceren. Naast publicaties in internationale academische tijdschriften deelt hij zijn onderzoek via Nederlandse media en publieke lezingen. Dick is redacteur bij filosofieblog Bij Nader Inzien. Sinds 1 oktober 2021 is hij onderzoeker en docent aan de TU Dortmund.

‘We moeten grenzen stellen aan rijkdom’

Armoede wil iedereen oplossen, maar kan rijkdom ook een probleem zijn? Moet er naast een armoedegrens een ‘rijkdomsgrens’ komen? In zijn proefschrift pleit Dick Timmer voor het begrenzen van rijkdom en onderzoekt hij het concept ‘grens’.

“Twee op de drie Nederlanders zeggen dat je genoeg geld bezit als je twee huizen, twee auto’s, vijf vakanties per jaar en 500.000 euro spaargeld hebt. Stel je ze vervolgens de vraag ‘heb je te veel als je meer hebt?’ dan antwoorden de meesten van niet. Maar geef je ze de keuze tussen het bezuinigen op sociale voorzieningen of het belasten van de superrijken, dan kiest de meerderheid voor belasting heffen.

Die manier van denken zie je ook in de politieke filosofie. Er is veel geschreven over ongelijkheid en over het belasten van rijken om armoede op te lossen. Maar het idee dat extreme rijkdom zelf een probleem is, wordt nauwelijks besproken. Toch ontstaat daar nu wel discussie over. De superrijken worden alsmaar rijker en hebben een flinke vinger in de pap bij onze sociale en politieke instituties. Is het maatschappelijk gewenst en moreel te rechtvaardigen dat zo’n kleine groep mensen zoveel geld kan verzamelen?

Lobbykracht

In mijn proefschrift bouw ik voort op onderzoek van mijn promotor, politiek filosoof Ingrid Robeyns. Zij geeft twee argumenten voor een zogenaamde rijkdomsgrens. Ten eerste zijn die grote vermogens en wat mensen daarmee doen vaak een verspilling van waardevolle mogelijkheden. We kunnen dat geld beter besteden aan publieke en sociale voorzieningen of aan mensen die onder het sociaal minimum leven.

Het tweede argument gaat over politieke invloed die rijkdom koopt. In Amerika kun je pas meedoen aan de presidentsverkiezingen als je multimiljonair bent. Ook in Nederland heeft het grootkapitaal een enorme lobbykracht, die zich vertaalt in sociale en culturele invloed. Maar publieke voorzieningen moeten onafhankelijk blijven van private partijen. Die partijen kunnen zomaar en zonder democratische tegenspraak radicale veranderingen doorvoeren. Er is dan geen enkele garantie dat mensen ontvangen waar zij recht op hebben.

Extreme rijkdom ondermijnt kansen- en rechtengelijkheid. In Engeland en Amerika zie je bijvoorbeeld dat universiteiten en hogescholen voorsorteren op studenten met veel geld. Ook in Nederland beïnvloedt je sociaaleconomische achtergrond je kansen en mogelijkheden. De kloof tussen arm en rijk groeit en wordt onoverbrugbaar als we geen maatregelen nemen.

Niemand denkt écht dat multimiljardair Jeff Bezos zóveel keer harder werkt of getalenteerder is dan zijn medewerkers.”

In mijn proefschrift verdedig ik nog een ander argument voor een rijkdomsgrens. Hoewel bij een rechtvaardige verdeling van geld en vermogen vaak wordt gekeken naar iemands prestatie of behoefte, beschikt de overheid niet over alle relevante informatie om iedereen precies te geven waar hij of zij recht op heeft. We weten vaak simpelweg niet wat iemands ‘verdienste’ is.

Niemand denkt écht dat multimiljardair Jeff Bezos, de voormalige baas van Amazon, zó veel keer harder werkt of getalenteerder is dan zijn medewerkers. Puur het feit dat Bezos zo veel geld heeft, bewijst niet dat die hoeveelheid gerechtvaardigd is. Die onzekerheid maakt de kans dat miljardairs echt zoveel zouden moeten bezitten enorm klein. Ik verdedig daarom een voorzorgsprincipe: tenzij er overduidelijk bewijs is dat iemand superrijk moet zijn, kunnen we diens rijkdom beter beperken en herverdelen.

Arbitraire grenzen

Er zijn dus goede redenen om rijkdom te begrenzen, maar hoe doe je dat en wat is precies een grens? Het concept ‘grens’ is natuurlijk niet nieuw. Er is bijvoorbeeld al veel literatuur en kennis over armoedegrenzen. Moet zo’n grens een absolute grens zijn of afhangen van hoeveel anderen hebben? En hoe bepaal je dat dan? Daar zijn verschillende theorieën over die we kunnen gebruiken om een rijkdomsgrens te bepalen.

Veel mensen vinden het bezwaarlijk om rijkdom te begrenzen, omdat grenzen arbitrair zouden zijn. Toch is dat geen reden om ze niet te stellen. Zo werkt het ook met de armoedegrens. Boven een bepaald punt is iemand die nét iets meer inkomen heeft niet meer arm. Dan ontvang je bijvoorbeeld minder toeslagen. Dat exacte punt is niet te rechtvaardigen, en toch heeft zo’n armoedegrens een belangrijke functie. We maken bovendien vaker onderscheid op die manier. Dat er bijvoorbeeld niet een punt is waarop ‘dag’ ‘nacht’ wordt, betekent niet dat je geen relevant onderscheid kunt maken tussen dag en nacht.

Als de argumenten tegen extreme rijkdom overtuigend zijn, dan moeten we aan een rijkdomsgrens denken. Hoe hoog die grens precies moet zijn, is niet aan mij om te bepalen. Net als bij de armoedegrens is dat uiteindelijk aan de politiek, en dus aan ons allemaal.”

Dick Timmer, Thresholds and limits in theories of distributive justice, Universiteit Utrecht, September 2021.